De meest gebruikte woorden van klaverjas, simpel uitgelegd.
Gevers
De speler die deze ronde deelt; na elk deel schuift de beurt door.
Voorhand
De speler links van de gevers: kiest als eerste troef en leidt de eerste slag.
Troef
De kleur die deze ronde heerst; troeven verslaan alle andere kaarten. De boer (20) en de 9 (nel, 14) zijn de hoogste troeven.
Passe
Bij het kiezen van de troef aangeven dat je niet wilt spelen; passen allen, dan moet de voorhand alsnog troef kiezen.
Roefel
Het eerste deel van de partij: klaveren zijn dan altijd troef.
Troefplicht
Je moet kleur geven; kleur-arm tegen een winnende tegenstander moet je troeven en overtroeven als het kan. Ondertrouwen mag alleen als het niet anders kan.
Roem
Bonuspunten voor combinaties die compleet in één slag vallen: reeksen (20/50), met heer-vrouw in troef (40/70), viergelijken (100) en vier boeren (200).
Stuk
Heer en vrouw in de troefkleur: 20 punten roem.
Nel
De 9 in de troefkleur: de tweede hoogste troef, 14 punten waard.
Nat (beet)
Het troefteam haalt minder dan de helft van de 162 punten: het scoort niets en de tegenstanders krijgen alles, inclusief alle roem.
Pit (mars)
Een team wint alle acht slagen: 100 bonuspunten bovenop de 162.
Slag
Eén ronde van vier kaarten, gewonnen door de hoogste troef of de hoogste kaart van de gevraagde kleur. Acht slagen per deel; de laatste slag levert 10 extra punten op.